Inhoud

Inhoud


Sanne


Een zomerverhaal voor ELLE.


Het Franse strandhuisje was speciaal uitgekozen vanwege het feit dat dit het enige in de wijde omtrek was zonder draadloos internet en zo kwam het dat wij elkaar al op de tweede avond op de veranda uit het blote hoofd youtube-filmpjes zaten na te vertellen. ‘Kennen jullie die met die twee katten bovenaan de zoldertrap?’ vroeg Jona, terwijl we rond een tafel vol waxinelichtjes met onze vingers in het kaarsvet porden. Iris en ik keken elkaar aan, we verstonden er namelijk geen moer van, aangezien de spreekster tijdens het vertellen al stuk ging van de voorpret. ‘Nee, die van Hitler die plannen maakt voor een bedrijfsuitje. Of die van die kikker met een iPad!’ joelde Eric er daarom maar dwars doorheen, waarna Sanne vol vuur mocht uitweiden over een kogel die in slow motion door een watermeloen schoot.
            Als Sanne sprak, dan was iedereen namelijk stil. Er bestond een diep ontzag voor haar, zowel bij de mannen als bij de vrouwen. Dat had vermoedelijk niet eens zozeer met haar engelachtige uiterlijk te maken, maar veel meer met het feit dat zij een onwaarschijnlijk talent had voor zwijgen. Terwijl iedereen de hardnekkige gewoonte had om altijd maar over elkaar heen te buitelen met sterke en minder sterke verhalen, leek zij permanent verzeild in een andere wereld, eentje waarvan wij naar de geuren en kleuren slechts konden gissen. Brak na al die stilte eindelijk het moment aan dat zij haar lippen opende, dan hing iedereen er aan. Wat zij ging zeggen mocht niet gemist worden, anders had ze het zelf wel achterwege gelaten. Dat van die watermeloen was misschien een slecht voorbeeld.
            Maar Sanne had een beetje gedronken. Ik zeg expres een beetje, want ik wil Sanne niet afschilderen als een alcoholist. Sanne wist en weet maat te houden. Dit in tegenstelling tot de boodschappenploeg – ik zal geen namen noemen – die vanmiddag een flinke slag geslagen had in de plaatselijke Intermarché. Bij het inkopen van het avondeten hadden zij het onzalige plan opgevat om naast een flinke hoeveelheid pijpjes Kronenbourg 1664 ook een netje limoenen, een kilo basterdsuiker, anderhalve liter eau gazeuse en een dito fles rum in hun winkelwagentje te kieperen. Muntbladeren groeiden hier in het veldje bij de koeien, zo hadden ze tijdens een wandeling gezien en dus stond niets meer in de weg om zelf mojito’s te brouwen. Nouja, niets. Enige kennis van de exacte verhoudingen binnen de receptuur had geen kwaad gekund. Maar helaas, er was hier geen internet, dus dat deden we op gevoel.
            Dat gevoel bleek nogal ruimhartig met de rum en zo kwam het dat ik geen remmingen voelde om de herkomst van de muntbladeren aan te grijpen om van wal te steken over het leven van de koe. ‘Over koeien gesproken,’ begon ik, ofschoon er tot dan toe niemand met een woord over koeien had gerept. ‘Hoe gaaf moet dat zijn als je heel je leven lang, de hele dag door, omringd mag zijn door datgene wat je het allerliefste van de wereld eet: gras! Dat is alsof ik warempel de rest van mijn leven mag rondsjokken op een...’ Ik dacht razendsnel na over een goede vergelijking. 'Een plateau oesters,' wilde ik eigenlijk zeggen, maar ik wist dat ik met mijn voorliefde voor zeebanket meteen wel weer erg koket uit de hoek zou komen en ik kende de culinaire standaard van mijn toehoorders nog niet genoeg om te weten of dat in goede aarde zou vallen. ‘Een bord poffertjes,’ besloot ik dus maar, ook omdat ik aan mijn water voelde dat meisjes dit zomaar een aandoenlijke keuze konden vinden. En aandoenlijk zijn, dat is de enige redding wanneer je zoals ik geen borsthaar hebt, niet bij de doorgewinterde rokers hoort en te schijterig bent om in Frankrijk auto te rijden.
            Ik keek de tafel rond, in afwachting van een reactie. Misschien wilde iemand aanhaken, herkende hij of zij iets in mijn gedachtegang. Iris begon als eerste te glimlachen, zodat de lijntjes rond haar lippen fraai zichtbaar werden. ‘Warempel? Zei je dat echt? Je praat als een boek,’ vond ze. 'Warempel. Warempel. Waaaarempel.' U ziet het, het zou ietwat ver voeren om te beweren dat ik me daar op dat specifieke moment een flinke partij sjans had.
            Eric pakte het beter aan: hij bleek plotseling ontzettend op de hoogte van het godganse sterrenstelsel. Met een grootst gemak wees hij Cassiopeia aan, terwijl ik niet verder kwam dan het Steelpannetje. Of we wisten dat er vannacht een meteorenzwerm op z’n hoogtepunt zou zijn, vroeg hij. ‘Vallende sterren!’ jubelde Jona, die een tikkeltje wankel aan zijn arm hing. ‘We mogen een wens doen!’ klonk aan de andere kant van Eric verrast. Want nee, de dames wisten daar dus helegaar niks van. Ik ook niet, maar ik had persoonlijk sterk de indruk dat Eric een stevig potje uit z’n nek zat te kletsen. Maarja, we hadden geen internet, dus een genadeloze ontmaskering zat er niet in.
            ‘En daar gaat André Kuijpers,’ probeerde ik toen maar, terwijl ik onopvallend Sannes reactie peilde. Net als bij de bliksem en de donder telde ik de secondes die verstreken tot er werd gelachen. Op die manier kan je vrij nauwkeurig meten hoe ver je van een goede grap verwijderd bent.
           
            Vraag:
Waar ligt de grens die bepaalt of je een onafhankelijk individu bent of een irritante spelbreker? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik die nacht als eerste besloot om mijn bed op te zoeken. En wat ik ook weet is dat Eric – met wie ik de kamer deelde – pas úren later op zijn tenen, zachtjes, muisstil over mijn rugzak zijn nek brak. Figuurlijk gesproken dan, al had ik hem op dat moment de letterlijke variant van harte gegund.  
 
            De volgende dag lagen we met z’n tweeën we op het strand, Eric en ik, terwijl de vrouwen in een nabij gelegen gehucht op zoek gingen naar het atelier van een of andere uit Nederland geëmigreerde kunstenares, die aldaar na een mislukte carrière op een Franse heuveltop in gemakkelijk zittende kleden, getooid met hennahaar en een lekker malle bril op haar gemak de overgang uitzat.
            Nee, hadden we gezegd, het was geen enkel probleem dat we er niet meer bij pasten in de auto. Nee, we hoefden echt niet per se mee. Ook niet na waarschuwing dat hun afwezigheid misschien wel een paar uur kon duren. Juist niet na hun waarschuwing.
            Eric lag op zijn rug, steunde op zijn onderarmen en probeerde ondanks de zeewind een sigaret op te steken. Lukt je nooit, dacht ik nog, maar hij kantelde zijn hoofd al naar achter, sloot zijn ogen en blies met getuite lippen de rook uit.
‘Er is niets gebeurd, hoor.’
Hij had nog steeds zijn ogen dicht, terwijl hij dit zei.
            Ik zweeg, sloeg een pagina van mijn boek om. Bonita Avenue. Siem Siegerius heeft zojuist in de woning van zijn schoonzoon ontdekt hoe zijn stiefdochter haar geld verdiende in de porno-industrie.
            ‘Nee,’ ging hij door, ‘Je hebt niks gemist.’
             Siem Siegerius hoort een deur opengaan en moet zich het huis uit haasten om zelf niet betrapt te worden.
            ‘Da’s natuurlijk ook maar beter ook,’ vond hij. ‘Want hoe zat het nou tussen jou en Sanne?’ 
            Siem Siegerius beukt zichzelf uit wanhoop door een glazen pui.
            ‘Zeggen we nog iets?’
           
            Sanne was de enige die zonder schuldgevoel bij de kunstenares vandaan kon zonder iets van haar te kopen. Iris kwam het strand op zetten met een zootje beschilderde kiezels aan een touwtje en Jona toonde ons verheugd een afstotelijke asbak van gesmolten glas. ‘Ik moest meteen aan jou denken,’ zei ze, terwijl ze het baksel aan Eric overhandigde. Ik kon het alleen maar beamen.
            De polaroids die Sanne had gemaakt, bevestigden het beeld dat ik al had: een erf vol hondsluie poezen, een houten tafel waar nog meer objecten van glas stonden uitgestald en Jona en Iris lachend naast de kunstenares, met in hun handen een voormalig Nutella-glas met chemischgroene mintlimonade. ‘Lekker retro hoor, die polaroids,’ vond Iris, ‘Maar hoe zet je die nou op Facebook?’
 
            Uit hun tassen toverden de drie vrouwen vrijwel simultaan hun enorme handdoeken, die opvallend minder vaal waren dan de onze. Jona keek van Eric naar mij en weer terug. ‘Wat is de lakenschikking?’ vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
            ‘Naast mij is nog plek,’ haastte Eric zich ruimhartig, terwijl hij met zijn hand een wijds gebaar maakte over het strand. ‘Dan zetten we daar de tassen neer,’ besloot Sanne.
            Alledrie bleken ze onder hun dunne zomerstofjes hun badkleding al aan te hebben. Jona een gifgroene bikini, Iris een blauw broekje met witte stippen en een donkerrood bovenstukje, Sanne een effen zwart badpak. Lang niet meer gezien, dacht ik. Tegenwoordig denk je al gauw dat er iets grandioos mis is met iemands buik, wanneer zij die niet ongegeneerd aan jan en alleman toont. Maar mijn bescheiden oordeel was dat alles aan Sanne’s buik volkomen deugde.
            Ik zal mezelf niet gauw betitelen als een échte man, maar als het gaat om multitasken, dan zul je mij horen beweren dat ik nu eenmaal helaas-pindakaas bedeeld ben met twee totáál verschillende chromosomen. Dat is een leugen, maar wel eentje waar ik een hoop voordeel van heb. Hierdoor kan ik namelijk de indruk wekken dat ik een keuze moet maken: óf mijn boek lezen, óf naar mooie vrouwen spieden. Ik bezit het talent voor beiden. Tegelijkertijd.
            Zo was ik dus in staat om zowel de beste Nederlandse thriller van dat moment te lezen, als diep in mijn netvlies alle pracht en praal van mijn buurvrouw door te laten dringen. Dat multitasken was bittere noodzaak: net zoals een laptop een screensaver nodig heeft om het beeld niet vast te laten branden, wierp ik telkens bijtijds een blik op de pagina’s.  
            Haar blonde lokken had ze bevrijd, maar haar gedachten waren voor mij nog altijd stevig vergrendeld. Wat gebeurde er achter die dromerige ogen? Welke woorden bleven steken achter haar lichtroze lippen? Ze ving mijn blik en ik wist dat ik al veel te lang geen pagina meer had omgeslagen.
            ‘Wat lees je?’ vroeg ze.
            ‘Een boek met héél véél warempel,’ antwoordde ik.
            Ze glimlachte en keek over mij heen naar het trio dat het naast ons erg druk met elkaar had. En daarna weer naar mij.
‘Ga je mee zwemmen?’
           
            Ik wil wel met je in zee
            Maar ik ben zo bang dat ik strand
 
            Ik schreef die twee zinnen jaren geleden, toen ik nog geeneens wist van het bestaan van deze dame. Hoe het tussen ons zat? Eric vroeg het terecht, maar een antwoord had ik niet. Een paar keer had ik haar gezien, een fatale vrouw die met haar éénmeterachtenzestig nog te groot voor me was. In mijn jacht op foto’s van haar, had ik haar naam vergeefs gezocht op Facebook. Ze bleek onvindbaar, maar kreeg mij op haar beurt zo te pakken. Eén oproep van een onbekend nummer had ik gemist en op mijn voicemail vertelde haar stem dat ze een week met vrienden een huisje had gehuurd en dat er nog plek over was en dat ik mee mocht en dat ik maar terug moest bellen.
            En nu: of ik mee ging zwemmen.
            ‘Laat mij maar mijn boek lezen. Ik hoef nog maar een paar bladzijdes en dan heb ik het uit. Er wil vast wel iemand anders mee,’ antwoordde ik in elk ander geval. Maar nu krabbelde ik op, reikte haar mijn hand en hielp haar overeind.
 
            Vraag:
            Waar ligt de grens die bepaalt hoe vol je ergens in mag duiken als je al voorvoelt dat je zult verdrinken? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat wij de wedstrijd wie het eerst bij het water was verdomd serieus namen, zodat ik uitgeput bij de vloedlijn aankwam, terwijl zij als een lichtgewichtballerina nog prima in staat was met enkele sprongen die indruk te wekken dat zij net zo op zou stijgen als de troep meeuwen die zij de stuipen op het lijf joeg. Wat ik ook weet is dat ik Eric naderhand gerust zou kunnen stellen dat er ook tussen ons niks gebeurd was. Dat wil zeggen: niets fysieks.
 
            Wel maakte ze op een van de laatste dagen met uitgestrekte arm een foto van ons samen. We zaten opnieuw aan een tafel vol waxinelichtjes, nu aangevuld met een massagraf aan muggen en motten, maar dat was dit keer het enige gezelschap. Toen ze uitgewapperd was en de afbeelding eindelijk zichtbaar was, pakte ze een zwarte stift en tekende op het witte vlakje onder de foto met sierlijke lijnen een opgestoken duimpje, met daarnaast: 1 person likes this. Want godzijdank hadden wij hier geen internet.
 
Geschreven in opdracht van ELLE – 11-04-2012


Terug naar Columns&Verhalen
Net als bij de bliksem en de donder telde ik de secondes die verstreken tot er werd gelachen.Met een grootst gemak wees hij Cassiopeia aan, terwijl ik niet verder kwam dan het Steelpannetje.Zij leek permanent verzeild in een andere wereld, waarvan wij naar de geuren en kleuren slechts konden gissen.Aandoenlijk zijn, dat is de enige redding wanneer je zoals ik geen borsthaar hebt.
p. 677