Inhoud

Inhoud


Ik had een mening, ooit


Een overpeinzing uit Zuid-Afrika, 2016.


Ik ben op dit moment in een land waarover ik vanuit huis veel ideeën had, veel oordelen vooral, maar waarvan ik nooit kon vermoeden dat dit werkelijk het land zou zijn waar de waakhond van ons appartement zo is afgericht dat hij zonder mij te kennen zijn kop in mijn schoot legt, maar direct begint te blaffen naar onze zwarte chauffeur. Ik blijk me te bevinden in een land waar de eigenaresse van ons appartement me vertelt dat de schoonmaakster zwart is, maar dat zij "desondanks" te vertrouwen is. Ik ben in een stad waar de leidinggevenden wit zijn en de uitvoerenden zwart. Ik ben op een festival waar mij wordt verteld dat het tegenwoordig aardig begint te lukken dat witte theaterliefhebbers ook eens gaan kijken naar het werk van zwarte acteurs, en vice versa.
Ik denk: ja, dat werd verdomme een keer tijd.
En vervolgens denk ik: wanneer, in de afgelopen weken, maanden, jaren, wanneer ben ik zelf ook al weer gaan kijken naar een voorstelling van een zwarte collega? Wanneer?
 
Tijdens Zomaargasten, de show die ik hier mag doen, interview ik telkens willekeurige mensen uit het publiek. Zij weten van niks, wij weten van niks, de enige manier om deze performance te laten slagen is oprecht contact, een gesprek, en vooral: mensen hun verhaal laten doen en heel veel luisteren.
Zo spraken wij de afgelopen dagen een zwarte man die ons vroeg of wij ons als witte mensen niet persoonlijk verantwoordelijk voelden voor al het leed dat zijn voorouders was aangedaan; we spraken een witte boer wiens land op dit moment wordt onteigend door de regering van Zuma en die met tranen in zijn ogen vertelde hoe de generaties lang zorgvuldig opgebouwde boerenbedrijven die inmiddels onteigend zijn nu totaal verwaarloosd worden; we spraken een  vrouw van kleur die in onze ogen zwart was, en die vertelde over hoe zij ten tijde van de Apartheid te lijden had onder de witte overheersers, maar nu geen aanspraak maakt op ondersteuning, omdat zij door de instanties wordt beschouwd als niet-zwart-genoeg.
We spraken een witte man die kort daarvoor zijn eveneens witte zus met lege ogen had teruggevonden in een grote plas bloed, een racistische moord.
 
En echt, ik dacht dat ik er een mening over kon hebben, ik hád die zelfs. Ik oordeelde, ik veroordeelde. Maar hoe meer ik leer – ik weet het, ik klink als wijlen Johan Cruijff – hoe minder ik snap. Het enige wat ik nu begrijp is dat ik geen haar beter ben, dat wij geen stap verder zijn, dat elk oordeel van onze kant vooral een teken is van onze witte, westerse arrogantie.
 
Ik besef dat ik niets weet, dat alles naast de andere kant nóg een andere kant heeft, een onbekende context, en dat je je heel, heel, heel klein voelt als je hier bent. Ook al ben ik hier pas een paar dagen, ik leerde iets over perspectief.
 
Ik sla de hoek om, ik loop een supermarkt in. Ik word aangekeken, nagekeken. Iedereen die hier een winkelwagentje vooruitduwt is zwart, behalve ik. En het maakt niet uit of de ander daadwerkelijk iets van mij denkt, het gaat erom dat ik iets van mijzelf denk. Voor het eerst in mijn leven ben ik de kleur van mijn huid. Ik voel bovendien iets branden op die huid. En het zijn niet eens alleen de ogen van de anderen, het zijn vooral mijn eigen ogen, op de huid van de mensen van kleur ver weg. Ik voel hoe mijn ogen al die tijd hebben gebrand op andermans en -vrouws lichamen. Op de mensen van kleur in Europa, in Nederland, thuis, de plek waarover en de mensen over wie ik tot voor kort iets dacht te weten.
 
Bij de kassa blijf ik stilstaan voor het rek met kranten. In het lokale ochtendblad van Oudtshoorn staat een foto van de ravage bij luchthaven Zaventem. In grote letters erboven: BRUSSEL BLOEI. De hele voorpagina is erdoor gevuld. Ik kan mij zo een-twee-drie niet herinneren wanneer Zuid-Afrika voor het laatst de onze haalde.
 

Terug naar Columns&Verhalen
"Ik besef dat ik niets weet, dat alles naast de andere kant nóg een andere kant heeft."
p. 894