Inhoud

Inhoud


Oma


Er hangt een tasje aan de klink.

Het is de klink van de deur van het huis van mijn oma, die ondanks haar 94 lentes nog prima voor zichzelf kan zorgen, maar nu de deur niet uit kan om de boodschappen te doen. Of nou ja, zelfs dát kan ze ondanks die lentes nog gewoon, maar ze mag het niet van ons. Wij hebben het haar verboden. En voor de duidelijkheid: dat is niet omdat we boos zijn op haar. Sociale onthouding, zo wordt het genoemd. Alsof haar al niet genoeg sociaals onthouden werd, de laatste tijd.

Er hangt een tasje aan de klink.

Het is een tasje met een bakje met daarin iets waar ze niet te veel op hoeft te kauwen. Ik noem het ‘iets’, omdat wat ik gekookt heb voor zover ik weet zeer terecht geen officiële naam draagt. Als het je echt interesseert, dan wil ik je mijn recept wel geven, maar ik kan me zomaar voorstellen dat je andere dingen aan je hoofd hebt nu.

Er hangt een tasje aan de klink.

Ik heb aangebeld en het voelde als ouderwets belletje trekken om dan gewoon weg te lopen, maar dat was dus wel de afspraak. In mijn auto gaan zitten was facultatief, maar zo warm is het buiten nou ook weer niet. Bovendien maakt in een auto zitten alles net een beetje filmischer. Ik weet ook niet hoe dat komt, maar je zult het met me eens zijn. Noem een film en er zit wel een auto in. Behalve misschien de Titanic, nee, zelf dáárin zit een auto, eentje met bijzonder veel condens, bijzonder onhygiënisch met de kennis van nu, maar wat zou het, aan het eind gaat toch iedereen dood, en daarmee zijn we weer prachtig in het hier en nu. Vanachter het stuur wacht ik tot de deur op een kiertje gaat. Het duurt en het duurt en meer en meer besef ik dat het een goed idee was dat we haar met Sinterklaas verrasten met een magnetron.

Er hangt een tasje aan de klink.

Dit moet niet heel lang meer gaan duren, bedenk ik. En ik bedenk nog heel veel meer, wat ik liever niet wil denken 

Er hangt nog steeds een tasje aan de klink.

Ineens wordt alles té reëel: de gedachte dat we onze kans hebben gehad, dat we elkaar echt veel eerder stevig tegen elkaar aan hadden moeten drukken. Dat we haast hadden, dat we dat eigenlijk best wisten, maar steeds weer dachten dat het zo’n vaart niet lopen zou. Er kwam iets tussen, een programma dat we per se wilden zien op de teevee, een biertje dat we liever dronken met vrienden. De kersenbonbons van die ouwe zouden nog wel even op ons wachten, dachten we. En dat doen ze ook, alleen niet eeuwig. De wijzers van de klok tikken harder naarmate het hart steeds zwakker bonst.

Ik trommel op het stuur.

Zou de laatste keer gewoon al lang geweest zijn? Zonder dat we het doorhadden. Zonder dat iemand even aan de bel trok en zei: ‘Hé, als je elkaar ooit nog wil omhelzen, dan moet dat nu.’ Nee, zoals altijd alles, weet je ook in dit geval pas dat iets afgelopen is als het al afgelopen is. Wat ook betekent – en daar houd ik mij dan nu aan vast – dat zolang het nog niet afgelopen is, het kennelijk nog bezig is.

Er hangt een tasje aan de klink.

En dan gaat de deur toch op een kiertje. Daar staat ze. Mijn oma. Ze kijkt om zich heen, spiedt de straat af, zoals een kind dat na veel gebons op het raam een jutenzak vol pakjes op de stoep vindt. Dan ziet ze mij. Ik steek mijn hand op, ik zwaai, ik toeter, zet per ongeluk de ruitenwissers aan. Ik lach een gek geluidje. En héél mijn lijf schreeuwt om de deur open te zwaaien, naar haar toe te rennen, nee, nog sterker: mijn lijf schreeuwt om iets wat het omhult vrij te laten, iets wat daar binnenin zit wil ontsnappen, ík wil ontsnappen. En dan – ik kan en wil er niks aan doen – ontsnapt het ook echt. Dikke tranen rollen over mijn wangen, ze blijven stromen en ik heb geen ruitenwissers voor mijn ogen, maar dat hoeft ook niet, want het is goed zo. Het is goed. Het is – zeg ik tegen mezelf – helemaal goed.

Ik rij nog niet weg. Ik kijk nog even door mijn raam, door haar raam, naar de eettafel waarachter zij nu zit. Ook al woont ze alleen, nooit zal ze zoals ik avondeten op de bank. “Dat voelt zo alleen,” zei ze ooit, en vaker dan ik wens toe te geven had ze ook die keer weer gelijk. Na een kwartiertje staat ze op, eerst naar de keuken, dan naar het raam. Ze zwaait. Niet met haar hand, maar met een joekel van een mobiele telefoon. Dan gaat het piepje van de mijne.

Ze schrijft met hoofdletters en met puntjes ertussen, alsof ze van een irritante spreukenwebsite is:

DANKJEWEL.LIEVERD.VOLGENDE.KEER.IETS.MINDER.ZOUT.

Er hing een tasje aan de klink.

Hartelijk dank voor het lezen. Zoals u merkte, dat mocht helemaal gratis. Maar stel nu dat u in deze coronatijden, waarin een half jaar lang al mijn optredens zijn genannuleerd, heel misschien iets kunnen missen, dan wordt in deze werkloze tijden een bijdrage in de hoge hoed hogelijk gewaardeed.

Terug naar Columns&Verhalen
p. 219