Inhoud

Inhoud


Marcel Osterop


Een interview voor Theatermaker, 2010.


Al vanaf zijn debuut wordt hij in de landelijke pers bejubeld: Marcel Osterop (1979) schreef Een soort van mooi tijdens zijn laatste jaar aan de Amsterdamse Toneelacademie, waar in hij 2004 afstudeerde. Hij bleef schaven, liet het rijpen en vond toen na twee seizoenen spelen bij Het Zuidelijk Toneel de regisseur Olivier Provily bereid om deze eersteling te begeleiden. Middenin de tournee werd Provily echter ontslagen en moest Osterop bij zichzelf te rade gaan. ‘We waren iets aan het opbouwen, dat plotsklaps ten einde kwam. Ik had helemaal niet de behoefte om mezelf te profileren als schrijver, maar ik wilde wél verder. Toen stond ik voor de keuze: of ik zou acteur blijven en daarnaast af en toe schrijven, of ik zou mijn eigen pad kiezen en er vol voor gaan.’ Als een godsgeschenk diende zich toen de ultieme mogelijkheid aan: het Eindhovense stadsgezelschap stelde voor om onder hun vleugels een eigen groep op te richten, met een eigen artistieke koers. Samen met oud-studiegenote Constance Kruis greep hij deze kans en zo ontstond Toneelgroep Cargo. Osterop kon zich vervolgens volop bekwamen als theaterauteur en regisseur van zijn eigen teksten. Achtereenvolgens verschenen Bloedjeuk (2007), Analemna (2008), Gewürztraminer (2008), Hartruis (2009), Gemaakt om te vergeten (2009) en Lucinde (2010), stuk voor stuk vaak goed voor positieve kritieken. 
Liefde
Het interview vindt plaats in het kantoortje van Cargo. Aan de muur hangen affiches, waarop Osterops zachte gezicht zo mogelijk nog jonger lijkt dan in werkelijkheid. Hij praat hardop denkend, slaat zijn ogen regelmatig neer. Hij kijkt weg, staart uit het raam en laat zijn zinnen vergezeld gaan van uitvoerige excuses voor eventuele onduidelijkheid. Het is zorgvuldig zoeken naar woorden die enigszins in de buurt komen van de waarheid. Osterop graaft in zijn geheugen: nee, hij had niet al heel zijn leven schrijver willen worden. Veel liever striptekenaar. De hele schoolkrant tekende hij in zijn eentje vol, herinnert hij zich. ‘Elke strip stond bestond uit niets anders dan botte grappen,’ zegt hij, met een bijna verontschuldigende lach. ‘Blijkbaar had ik daar toen al een voorliefde voor. Het had ook te maken met de manier waarop wij in mijn vriendengroep met elkaar omgingen: zat iemand diep in de put vanwege een gesneuvelde relatie, dan maakten we daar eerst urenlang snoeiharde grappen over, voordat eindelijk eens iemand durfde te zeggen: wat kut voor je.’
Op vertrouwelijke toon: ‘Het klinkt gek, maar ik geloof dat in die lompheid juist iets als liefde schuilt: wie iemand op zo’n manier fileert, laat zien dat hij zijn zwakke plekken kent. Met de grap geef je aan dat je weet waar iemands grenzen liggen, maar dat je daar nooit overheen zult gaan.’ Hij zwijgt even. ‘Ik heb daar nogal eens discussie over,’ vertelt hij dan. ‘Er zijn mensen die liefde toch net iets anders zien.’
Alle discussies ten spijt, in zijn teksten geldt de waarheid van de schrijver en zijn personages zullen het maar met dit standpunt moeten doen. Osterop zadelt hen op met dialogen waarin zij hink-stap-sprong elke confrontatie proberen te vermijden en zich onderwijl vreselijk onhandig uitdrukken. Hebben ze vervolgens eindelijk de moed bijeengeraapt om hun diepste gevoelens op tafel te leggen, dan nóg klinken hun formuleringen uiterst gemankeerd. Osterop: ‘Elke oprechte zin gaat volledig ten onder aan de constructie. Eigenlijk hebben mijn personages alles al kapot geredeneerd. Er gaan duizenden gedachten vooraf aan het moment waarop zij besluiten te spreken en tóch komen sommige zinnen er vervolgens zo lullig uit. Ik probeer op die manier hun hardnekkige pogingen te laten zien, want ondanks de zinnen vol zelfbeklag en navelstaarderij, zit in hun wanhoop volgens mij iets universeels.’
Hij citeert een paar typerende regels uit zijn teksten: ‘Misschien heeft mijn leuke ik zich al gewonnen gegeven. En ben ik achtergelaten. Als restafval.’ Of: ‘Allereerst zagen mensen mij als een pedant mannetje. Toch Eimert? Jij zag mij ook als een pedant mannetje.’ Hij moet er zelf om lachen: ‘Toen ik die zinnen schreef, deed ik dat met een haast depressief gevoel, maar in de context van de voorstelling werden het de beste grappen. Dat lukt alleen wanneer ik beschik over acteurs met een flink gevoel voor ironie. Mijn teksten mag je absoluut niet spelen met dezelfde bedoeling als wat in woorden ligt. Als acteurs mijn tekst gaan menen, dan wordt het een draak. De kunst is om heel zuiver het gevoel te pakken dat onder een zin schuilt. Dan blijkt het terughoudende veel meer te zeggen dan het uitgesprokene.’
 
Ongezonde dagen
‘Als ik schrijf, dan mag ik geen enkele andere afspraak hebben. Als ik weet dat ik ’s avonds een biertje ga drinken met een vriend, dan wordt het die dag meteen al niks meer. Ik moet totaal mijn eigen tijd kunnen indelen. Ik sta in mijn eigen ritme op, begin meestal rond twaalf uur en werk dan door tot diep in de nacht. Ik doe niets anders dan typen, ik eet geen hap en zie geen mens. Dat zijn ongezonde dagen.’
‘Als het moet, dan kan ik erg gedisciplineerd zijn. Héél erg zelfs, het duurt alleen zo vreselijk lang voordat het eindelijk zover is. Ik kan alleen maar schrijven als ik weet dat er een voorstelling moet komen. Als dat niet hoeft, dan doe ik uren over drie zinnen, die ik aan het eind van de dag weer schrap. Daarom heb ik mezelf de verplichting opgelegd om twee stukken per jaar te maken. Dat is natuurlijk een beetje een rare opdracht, maar het betekent wel dat ik niet kan wachten op het moment waarop de inspiratie me eindelijk overvalt. Dat zou onzin zijn. Ik moet gewoon werken, net zoals een acteur niet kan zeggen dat hij alleen speelt wanneer hij het écht voelt. Dat is namelijk je vak.’ Het schrijven van een theatertekst hoeft voor Osterop daarom niet te beginnen met één doorslaggevend idee: ‘Gedurende het jaar dienen zich duizend kleine kutideetjes aan, maar soms moet ik gewoon één van die kutideetjes uitkiezen omdat er nu eenmaal een nieuwe tekst wordt verwacht. Ik ken dan wel de sfeer van het verhaal, maar ik heb van tevoren geen idee waar het precies heen gaat. Als ik eerst een plot zou uitdenken om dat vervolgens in te vullen, dan wordt het volgens mij een heel slecht toneelstuk.’
De basis van het schrijversvak is gelukkig eenvoudig, meent Osterop. ‘Als schrijver hoef je alleen maar te reageren. Elke regel is niets anders dan een antwoord op de vorige. Daar ontstaat een verhaal uit en zo wordt het een wagen die steeds dieper in het zand rijdt. Je kan geen kant meer op, het enige wat je kan doen is steeds harder het gas in trappen. Daar zit de vakmatigheid in: dóór blijven zoeken. Niet meer opgeven. Je moet telkens voor jezelf hard kunnen maken waarom die ene beginzin het ooit waard was om een heel verhaal te schrijven. Dat is vechten, vechten tegen jezelf. De beste steun die ik op zulke momenten kan krijgen komt van Constance. Om de week belt ze me, met de vraag: “Marcel, waarom zit je jezelf toch zo in de weg? Alles is nog mogelijk!” Ze vertelt me dat ik er maar vanuit moet gaan dat het goed is wat ik schrijft, in plaats van te denken dat ik mezelf zou moeten pijnigen voordat iets zeggingskracht heeft. Dat is heel fijn, maar het gekke is dat ik dat telkens weer vergeet. Waar dan toch de vreugde zit? Als je ontdekt dat achter déze ene pagina díe hele wereld blijkt schuil te gaan. “Ah!” denk je dan, “Maar dan weet ik er nog wel een paar!” Op zo’n moment kan een tekst gaan vliegen en dat is zó sexy!’
 
Vrijheid ‘Ik voel dat er nog ontzettend veel mogelijkheden zijn: ik ben net begonnen en hoe meer ik schrijf, hoe meer ik ontdek. Per tekst leer ik duizend nieuwe manieren om een verhaal te schrijven. Telkens vergroot de vrijheid zich opnieuw.’ Daarom staat hij zichzelf toe om regelmatig het roer om te gooien en geheel verschillende stijlen uit te proberen. Zijn meest opvallende experiment is wat dat betreft Hartruis: een ongrijpbare, grillige tekst vol branie en opgestoken middelvingers, wat bij heel wat theaterbezoekers resulteerde in hoog opgetrokken wenkbrauwen.
Osterop: ‘Die tekst raakte aan iets wat me heel erg beviel. Het leerde me vooral dat een tekst uiteindelijk het beste klopt wanneer ik mijn intuïtie volg en de woorden uitkots. Met een rationele constructie kom je niet bij mensen binnen. Er moet vuur achter zitten. Hartruis was een brandende fakkel.’ Desalniettemin koos hij ervoor om zijn volgende tekst rigoureus anders aan te pakken: ‘Ik besefte dat ik zoiets voorlopig niet moest herhalen. Het is mij namelijk niet te doen om die middelvinger. Als ik iets haat, dan is het wel kunst die alleen maar wil shockeren. Daarom legde ik mezelf de verplichting op om een oprechte tekst te schrijven met een gedegen, haast burgerlijke opbouw: Gemaakt om te vergeten. Dat was een zware klus, want ik wilde dat het dramaturgisch klonk als een klok. Als schrijver ben ik er nog steeds tevreden over, maar ik vind dat ik als regisseur meer tegengas had moeten geven. Dat is lastig bij een eigen tekst, daarom heb ik nu ook besloten om de komende tijd even geen eigen werk meer te regisseren. Maar ik blijf blij met die tekst, want het was belangrijk voor me om iets te maken waarmee ik het achterste van mijn tong zou laten zien.’
Er valt een stilte. Tijd voor een sigaret. Even uit het raam hangen.
En als we weer verder kunnen, beantwoordt hij de logische vervolgvraag: het achterste van je tong laten zien, gaat dat hem inmiddels makkelijker af dan in de tijd toen hij nog striptekenaar wilde worden? Hij reageert als door een wesp gestoken: ‘Hell no! Ik zal zelden letterlijk een gevoel uitspreken!’ Hij kijkt een poosje naar zijn handen voordat hij vervolgt: ‘Ik heb heel erg moeten leren om iets van mezelf prijs te geven. Nu pas weet ik dat het wel wat oplevert om jezelf zo nu en dan in de kaarten te laten kijken. Soms moet ik durven om me zwak op te stellen en af en toe te zeggen: help mij.’


Terug naar Interviews
"Ik geloof dat in lompheid juist iets als liefde schuilt""Een tekst klopt het best wanneer ik mijn intuïtie volg en de woorden uitkots""Ik zou graag durven om kwetsbaar te zijn en te zeggen: help mij."
p. 534