Inhoud

Inhoud


André Manuel


Een interview voor theatervakblad TM, 2009.


De geboren en getogen Diepenheimer André Manuel (1966) maakte furore als voorman van de humoristische, maatschappijkritische bands Fratsen (1988-1996), Krang (1997-2004) en De Ketterse Fanfare (2008-heden), maar ontdekte juist in de muziek de mogelijkheden van het theater: aangezien de aankondigingen tussen de nummers alsmaar langer werden, besloot hij op een zeker moment om de liedjes er maar helemaal tussenuit te halen en zijn solo-optredens voortaan cabaret te noemen. In een carrière van twintig jaar heeft Manuel zijn naam weten te vestigen als buitengewoon geëngageerd komiek, voor wie slechts bijzonder weinig huisjes heilig zijn. Eén ding is zeker: hij laat de gemoederen niet onberoerd. Liefhebbers zien zijn betogen als vurig links, vijanden noemen het extreemrechtse borrelpraat.
Bij de uitreiking van de VSCD-cabaretprijzen signaleerde men dat theaters de laatste tijd veel voorzichtiger programmeren. Als dat waar is, dan zou jij dat als tegendraadse relschopper toch als eerste moeten merken.
‘Er zijn inderdaad heel wat theaters die weigeren om mij te boeken, maar toch heb ik niet de indruk dat het de laatste tijd moeilijker is geworden om mijn voorstellingen te verkopen. Nu is het wel zo dat ik juist buiten het normale theatercircuit vrij veel optreed, op plekken waar veel cabaretiers niet meer komen. Ik speel graag in jongerencentra, die op vrijwilligers draaien en waar men echt blij is dat je komt. De officiële theaters zijn tegenwoordig gewoon bedrijven geworden, waar winst moet worden gemaakt. Bij ontvangst springen de vonken er nou niet bepaald van af. Ze gebruiken cabaret vaak om toneelvoorstellingen te bekostigen en dan kunnen ze maar beter iemand boeken van wie vast staat dat de zaal vol komt. Dat is bij mij natuurlijk niet zo.’

In tegendeel, bij jou kon men er ooit met gerust hart vanuit gaan dat de zaal binnen de kortste keren juist leegliep.
‘Klopt, maar dat waren natuurlijk wel mensen die blindelings kaarten kochten, zonder eerst te kijken wie er speelde. Tja, dan kan het gebeuren dat je op een avond geconfronteerd wordt met mijn manier van theater maken. Tijdens een voorstelling in Oss verliet maar liefst honderdvijftig man voortijdig de zaal, waarmee dat te boek staat als onbetwist hoogtepunt in de merkwaardige verhouding tussen André en zijn publiek. Maar goed, zo selecteer ik langzaam mijn eigen publiek. Ik zit natuurlijk ook niet te wachten op mensen die bij de eerste godslastering al op hoge poten naar buiten benen. Ik ben een vrij antireligieus mens, een praktiserend atheïst en dat is nu eenmaal de basis van mijn voorstellingen.’
 
Is er behalve die selectie nog iets anders veranderd waardoor het publiek tegenwoordig blijft zitten? Ben jij zelf milder geworden?
‘Nee toch?’ vraagt hij gespeeld verbaasd, terwijl hij een sigaret opsteekt. ‘Volgens mij komt het eerder door de maatschappelijke toon die in de loop der tijd veel harder is geworden. Het programma waarmee ik destijds zoveel ophef veroorzaakte en van fascisme werd beticht, zou nu lang niet zoveel stof meer doen opwaaien. In die zin ben ik toch een beetje de Hans Janmaat van het Nederlandse cabaret.’
Bij jou wordt dat meteen een grap. Straks beweer je nog dat jij de aanstichter bent van de heersende opvatting dat alles maar gezegd moet worden.
‘Als je ziet wat Geert Wilders zich nu aan verwerpelijk taal kan permitteren, dan moet je inderdaad erkennen dat hij dat natuurlijk te danken heeft aan mij en de andere wegbereiders in het Nederlandse cabaret. Maar ik vind dat goed. Ik heb liever dat dingen in de openbaarheid worden gezegd, dan dat er in allerlei duistere schuurtjes van alles en nog wat wordt bekokstoofd. Want dat er in Nederland heel wat mensen radicale politieke stromingen aanhangen, dat lijkt me duidelijk.’
 
Nu jouw hardhandige stijl bekend is, bestaat het risico dat de zalen zich vullen met mensen die alleen komen voor een stoer avondje grove grappen.
‘Dat geloof ik niet. Er zitten flink wat stevige opmerkingen in, maar het blijft voornamelijk een inhoudelijk verhaal.’
 
Niet iedereen voelt elke nuance.
‘Dat hou je altijd. Maar als het uit de klauwen loopt, probeer ik daar wel iets aan te doen. Wanneer er naar mijn zin te hard wordt gelachen om een dubieuze grap, dan zeg ik daar ogenblikkelijk wat van. In Den Bosch stond een groepje neonazi’s meteen instemmend op toen ik “luie neger” zei, in Utrecht werd opvallend enthousiast gereageerd op een passage over Hitler. Ik neem die lui dan ogenblikkelijk te grazen. Maar hoe je het ook wendt of keert, het geeft in elk geval wel aan dat het een gat in de markt is: extreemrechts cabaret.’
 
Het is vaak moeilijk in te schatten wat jij wel meent en wat niet. Het gros van het publiek heeft geen idee wie hij voor zich heeft.
‘Het makke aan het Nederlandse cabaret is dat achter elke scherpe opmerking altijd een knipoog zit. Van mij hoeft niet zo nodig met een moralistisch vingertje gezegd te worden dat iets natuurlijk maar een grap was. Ik vertel niet aan een zaal wat men er van zou moeten vinden. Ik zeg tegen het publiek: zoek het maar uit. Laat hen maar bedenken wat ze er zelf van vinden.’
Zijn eerste sigaret is opgebrand en een volgende wordt gerold. Hij vervolgt: ‘Wie mijn werk enigszins volgt, weet heus wel ongeveer waar ik sta. Als je mijn muziek en mijn radiocolumns beluistert, dan is het toch hopelijk wel duidelijk dat ik niet tot een extreemrechtse beweging behoor. Tegelijkertijd probeer ik de boel wel zo open te houden dat er een gerede kans bestaat op verwarring. Ik vind dat een stuk interessanter dan wanneer alle neuzen één kant op staan en de mensen met een blij gemoed naar huis gaan.’
 
Jij bent er niet om het publiek te behagen?
‘Ik wil mensen best een plezier doen, maar dat doe ik liever met mijn muziek. Ook al zullen sommigen het teringherrie vinden, ik doe mijn uiterste best om dat mooi te laten klinken. Met theater is dat anders. Ik probeer geen mooi theater te maken. Wel goed, maar niet mooi. Misschien zelfs wel zo lelijk mogelijk. De vorm die ik in Voor God noch Vaderland heb gevonden druist in tegen elke theaterwet. Wie staat er nou twee uur lang achter een katheder te oreren? Geen stiltes, geen liedjes, niets waardoor het publiek even kan bijkomen. En als ik het dan toch voor elkaar krijg dat mensen al die tijd verdwaasd het verhaal ondergaan, dan ben ik erg tevreden.’
 
Achter dat katheder verklaar je dat je eindelijk – en zeer terecht – met de dood bent bedreigd. In werkelijkheid had je die doodsbedreiging echter al lang en breed aan je broek. Een recensent maakte zich in 2004 zo kwaad over jouw voorstelling Lazarus dat hij in de krant liet optekenen: ‘André, ik zou blij zijn als iemand je zou vermoorden.’
Lachend: ‘Ja, dat was in Het Parool. Er zijn maar weinig kunstenaars die door een recensent zijn doodgewenst, dat primeurtje zet ik dan weer met veel plezier op mijn naam. Achteraf werd wel duidelijk wat er aan de hand was: het was vlak na de moord op Theo van Gogh – iedereen in rep en roer – en daar kwam ik. Ik kom uit de provincie, dus ik wist dat allemaal niet van die spanning.’
Hij verweerde zich later door te beweren dat het maar een grap was. Dát vond jij dan weer smakeloos.
‘Ik vind het een tikkeltje eigenaardig worden wanneer iemand een oproep doet om een ander om te leggen. Ik zal veel grappen maken, maar dat is toch echt wel een grens. Daar houdt de humor simpelweg op. Bovendien vind ik dat je moet oppassen met opmerkingen die de persoonlijke integriteit van iemand kunnen schaden. Zonder bezwaar haal ik hele bevolkingsgroepen door de mangel, maar echt op de man spelen, daar houd ik niet van.’
Na een korte stilte: ‘De grens die ik trek is natuurlijk ook maar iets heel persoonlijks. Ik weet heus wel dat voor veel mensen mijn grappen wel degelijk over het randje zijn. Die rand zie ik alleen niet, maar dat komt door mijn nogal liberale opvattingen.’
 
Die liberale opvattingen leiden ertoe dat je inmiddels in vrijwel elke hoek vijanden hebt gemaakt. In je voorstelling zeg je: ‘Als iemand een doodsbedreiging verdient, dan is het wel André Manuel.’ Ben jij nooit bang dat zoiets een keer realiteit wordt?
‘Nooit.’
 
Echt niet?
‘Toen Theo van Gogh net was vermoord heb ik heel even gedacht dat ik ermee moest ophouden. Als het bekritiseren van godsdienstwaanzin tot zoiets leidt, dan is de lol er natuurlijk gauw af. Maar mijn drijfveren werden alleen maar sterker toen ik tot mijn grote woede ontdekte dat de discussie onder mijn collega’s ogenblikkelijk ging over het matigen van onze toon.’
 
Nota bene onder aanvoering van jouw oude voorbeeld Freek de Jonge.
‘Ik vond dat een heel teleurstellend standpunt van hem. Maar hij is zelf natuurlijk ook iemand uit een zeer religieuze hoek, dan kan je dat verwachten.’
 
Hij zegt ook: ‘Als het goed gaat in een land, heeft een kunstenaar de taak om te ontregelen en vragen te stellen. Als het niet goed gaat, moet de kunstenaar hoop bieden en troosten.'
‘Ja, dat is nu eenmaal dat Christelijke. Bij sommige cabaretiers is dat er niet uit te sláán. Maar vertel eens: wanneer gaat het dan slecht? Gaat het nú slecht? Moeten we nu troost en hoop bieden? Maar waar zijn de cabaretiers in Darfur dan op dit moment? Daar hoor je nou nooit eens iets over: stand-up comedians in Uruzgan die de bevolking hoop en troost bieden. Laat Freek zelf maar eens op tournee gaan langs al die oorlogsgebieden, met z’n hoop en z’n troost.’
Terwijl hij een nieuwe sigaret rolt: ‘Ik vind echt dat extreme religieuze denkbeelden bestreden moeten worden, tot op het bot. Begrijp me goed: met taal. Ik ben zo pacifistisch als een vredesduif, dus ik vind dat het verbáál bestreden moet worden. Het alternatief is dat die ouderwetse fundamentalistische denkbeelden gaan wortelen in de Nederlandse samenleving en dat zie ik liever niet gebeuren.’
 
Hoe effectief is het om denkbeelden te bevechten met beledigingen?
‘Hoor eens, de allergrofste belediging was die moord. Dat was de ultieme schoffering en er moeten heel wat grappen gemaakt worden voordat er weer een beetje balans in zit. Het probleem is dat elke kritiek op religie ogenblikkelijk wordt opgevat als een belediging. Wanneer ik zo’n geloof met heel redelijke argumenten de grond in schoffel, dan kan dat toch geen belediging zijn? Er zit ook niets discriminerends aan, want ik maak geen enkel onderscheid tussen welke religie dan ook. Het Jodendom, de Islam, het Christendom, voor mij is het allemaal één pot nat.’
 
Dat is natuurlijk ook een manier van verbroederen... Overweeg jij nooit om jouw toon te matigen?
‘In mijn voorstelling zit een passage over Uruzgan. Onze militairen maken daar vrij veel burgerslachtoffers, maar daar hoor je nauwelijks iets over. Hier wordt de nadruk gelegd op dat filmpje van Wilders, alsof dat de grootste oorzaak is van de Islamitische dreiging. Dat is natuurlijk onzin. Wij zijn als land in oorlog en dáárdoor roepen we een terroristische aanslag over ons af, niet door zo’n knutselwerkje van een politicus, laat staan door een conference van een cabaretier. Ik ben er oprecht van overtuigd dat de veiligheid in Nederland veel minder heeft te lijden onder André Manuel, dan onder onze oorlogszuchtige Christenregering.’
 
Maar zie met die boodschap maar eens de juiste mensen te bereiken. Naar jouw voorstellingen komen bar weinig moslimfundamentalisten of Christelijke politici. Is het geen probleem dat jouw publiek vaak al lang en breed overtuigd is van jouw punt?
‘Dat is een vanzelfsprekendheid. Als ik in een balletvoorstelling zou dansen, dan zouden er alleen mensen komen die van ballet houden. Daar doe je niets aan.’
 
Toch wil je nu om nieuw publiek te bereiken – en de kans op een serieuze doodsbedreiging te verhogen – onderhand eens een keer op televisie.
‘Ik geloof zeker dat deze voorstelling goed op tv zou kunnen, zeker wanneer je het vergelijkt met wat er allemaal wél te zien is aan nietszeggend cabaret. Ik vind dat ik een vrij wezenlijke vorm van theater maak en dat televisie daarvoor een podium zou moeten zijn. In twintig jaar tijd zijn mijn voorstellingen alleen maar beter, inhoudelijker en scherper geworden. Maar de VARA durft het niet aan. Een portret willen ze nog net uitzenden, maar een registratie van een voorstelling gaat te ver. Daar zijn ze kennelijk toch huiverig voor. Per slot van rekening is het nogal een risico dat iemand per ongeluk mijn voorstelling binnenzapt en dan ernstige bedenkingen heeft bij wat hij ziet. Dat is hun angst.’
Hij inhaleert nog eens diep: ‘Gelukkig is er hoop. Ik ga een keer dood en dan zullen ze toch wel een klein stukje moeten laten zien.’
 

Terug naar Interviews
"Tijdens een voorstelling in Oss verliet maar liefst honderdvijftig man voortijdig de zaal.""Ik ben een vrij anti-religieus mens, een praktiserend atheïst.""Het programma waardoor ik ooit van fascisme werd beticht, zou nu niet zoveel stof meer doen opwaaien."
p. 455