Inhoud

Inhoud


Bejaarden & Begeerte


Een onderzoek naar liefde op latere leeftijd voor ELLE, 2010.


‘Ik ben nu drieëntachtig jaar,’ stamelt ze met een hand voor haar mond, ‘Maar ik vertel jou dingen die ik nog nooit tegen iemand heb gezegd.’ De vrouw tegenover me kijkt me aan, schudt traag haar hoofd, een klein lachje speelt met haar lippen. Dan pakt ze de draad weer op. Net zo openhartig als daarvoor - misschien zelfs openhartiger - geeft ze antwoord op mijn vragen. Over haar liefdesavonturen van lang geleden, maar vooral over haar verlangens, de passie en erotiek vandaag de dag. Over de twijfels, de aarzelingen en de vraag of de vlinders nog net zo fladderen als toen zij twintig was. Ik wil weten of zij er nog van droomt om ooit een nieuwe man tegen te komen, of zij gelooft opnieuw verliefd te kunnen worden en of zij dan ook weer met hem naar bed zou gaan. ‘Waarom heeft u er nooit over gesproken?’ vraag ik haar. ‘Nogal wiedes,’ antwoordt zij, ‘Omdat niemand er naar vroeg.’
 
Ik vraag het wel, en niet zonder reden. Het gesprek dat ik met deze dame heb maakt deel uit van het onderzoek voor mijn nieuwste theatervoorstelling Bejaarden & Begeerte, die ik met de Vlaamse regisseur Lucas De Man onder de vleugels van het Zuidelijk Toneel in het hele land speel. Samen spraken we met psychologen, ouderenwerkers, verzorgenden, activiteitenbegeleiders en pastors, maar vooral met de ouderen zelf. Wij zochten hen op in hun eigen woning, in zorgcentra, aanleunwoningen en bij de koersbalvereniging. Wij presenteerden de bingo, gingen mee wandelen en lieten ons volstouwen met kersenbonbons, alles om maar aanknopingpunten te vinden voor een openhartig gesprek over de liefde.
 
Alle gesprekken beginnen hetzelfde, want het allerliefst vertellen ze over vroeger: hoe zij op vrijersvoeten gingen en daarvoor wekelijks hetzelfde parcours liepen. Elke stad had namelijk een duidelijk afgebakend gebied waar de bronstige jongens en meisjes elkaar konden treffen. Zo kende Tilburg in de jaren ’40 en ‘50 het fenomeen ‘Heuvelstraatje pikken’, waarbij tieners en twintigers eindeloos heen en weer liepen tussen de twee filialen van kruidenier De Gruyter. En wat deed je wanneer je op die tocht eindelijk een aantrekkelijke heer of dame had gespot? ‘Knipogen!’ roepen de dames in woonzorgcentrum Jozefzorg in koor. En belangrijker: ‘Je moest proberen af te spreken,’ weet mevrouw Van Zijl, ‘Bij het dansen, tijdens de zondagmatinee.’ Het vervolg sprak tot de verbeelding: de jongen met wie al weken lang ijverig geknipoogd was stond op, knoopte zijn jasje dicht, liep op je af en vroeg je met alle nodige overtuigingskracht ten dans. Zag jij dat ook zitten, dan kon dat leiden tot een middaglang foxtrotten. Op gepaste afstand van elkaar, uiteraard. Fysieke toenadering werd uitgesteld, al waren er heus wel kerels die hun meisje meteen die avond al naar huis wilden brengen. Geen denken aan overigens dat hij ook mee naar binnen ging, hooguit was het een beetje vrijen in het portiekje. Vrijen? ‘Ja, kussen. Totdat moeder eens kwam informeren hoe het ermee stond. Om tien uur moest je binnen zijn. Zo niet, dan zwaaide er wat.’ 
Maar het bleef dus bij kussen? ‘Joh, je was veel te bang om verder te gaan,’ zegt mevrouw De Boer (79) verontwaardigd, ‘Meisjes dachten dat zij al zwanger werden als je hun borsten aanraakte. Bovendien mocht het niet van meneer pastoor, die vertelde de meest vreselijke verhalen over wat er gebeurde als je ook maar iets zou uitspoken. Dus deed je niks.’
‘Ach,’ nuanceert meneer Van Oudenhoven (72), ‘Je moest natuurlijk wel weten of het een jongen of een meisje was.’
 
Een paar vrouwen uit het gezelschap krijgen een kleur en ik wil nu toch weten hoe het zat: betekende dat dan werkelijk dat iedereen zich hield aan het ideaal dat je als maagd het huwelijk in ging?
‘Nou,’ antwoordt mevrouw Vos (86) bedachtzaam, ‘Iedereen kende wel mensen in de buurt voor wie het huwelijk een “moetje” was. Die mochten dan niet trouwen aan het echte altaar, maar ergens aan de zijkant van de kerk. Daar werd toen echt wel schande van gesproken.’
‘Maar bij die “moetjes” was het vergrijp aan het licht gekomen...’ begin ik. ‘Precies,’ zegt mevrouw Vos, ‘Veel vaker merkte niemand er iets van.’ ‘Dus het gebeurde wel?’ ‘Natuurlijk. In bepaalde milieus...’
Dat is me te vaag. Hoe zat dat bij de dames met wie ik spreek? Ik maak een rondje en wijs iedereen één voor één aan en vraag hen of ze als maagd het huwelijk in zijn gegaan.
Mevrouw Baarsler: ‘Ja.’
Mevrouw Verberne: ‘Ja.’
Mevrouw Hoogstraten: ‘Ja.’
Mevrouw Staals: ‘Ja.’
Mevrouw Vos: ‘Ja.’
Mevrouw Van Wees: ‘Nee, ikke nie.’
Allen: ‘Nee!?!’
Mevrouw Staals: ‘Dat heb je nooit verteld!’
Mevrouw Van Wees: ‘Ik zal jou alles aan je neus gaan hangen zeker!’
Mevrouw Hoogstraten giechelt en ook bij de andere dames is enige opwinding te bespeuren. Mevrouw Van Wees, guitig: ‘Ik wilde het gewoon wel eens proberen. En het is me niet tegengevallen, ik heb hem de rest van mijn leven niet meer laten gaan!’
Met andere woorden: ook voor de vrijbuiter is het bij één bedpartner gebleven. Zijn zij dan nooit benieuwd geweest hoe het met iemand anders zou zijn? ‘Nee, eigenlijk niet. Daar stond je gewoon niet bij stil.’ Maar nu toch wel? ‘Niet zo’n behoefte aan,’ zegt de een. ‘Ik moet er niet aan denken,’ zegt de ander. ‘Het waren andere tijden,’ haalt mevrouw Vos een gemeenplaats aan, ‘Tegenwoordig is alles anders.’ Mevrouw Baarsler: ‘Maar ze zijn nu wel erg vrij. Na het huwelijk hebben die jongelui niks meer te beleven!’ Mevrouw Hoogstraten: ‘Ik benijd de jeugd om de vrijheid die ze hebben. Maar ik maak me zorgen om de vrijheid die ze nemen.’
 
Inmiddels is het gros van de dames die ik spreek weduwe. Een belangrijke vraag tijdens de voorstelling is: geloven zij dat het mogelijk is opnieuw verliefd te worden? ‘Natúúrlijk!’ roepen ze in koor. De dames in Jozefzorg zijn ervan overtuigd, de dames in Antoniegaarde ook en de dames in Douverade net zo goed. Zelfs als je tachtig bent, kan je smoorverliefd raken, ze kennen allemaal wel voorbeelden. Maar of het henzelf nog overkomt, dat betwijfelen ze. Natuurlijk komen ze wel eens een leuke man tegen, bijvoorbeeld bij de bushalte, maar het is toch wel een erg grote stap om ook meteen weer een nieuwe relatie aan te knopen. Bovendien koesteren de dames enige achterdocht: ‘Ze noemen het “houden van”, maar uiteindelijk gaat het om het “huishouden van”’, meent mevrouw Hoogstraten, ‘Veel kerels willen gewoon een gratis poetsvrouw.’ 
De van oorsprong Surinaamse mevrouw Vreedzaam noemt bovendien een gedeeld probleem: ‘Je gaat toch vergelijken met je echtgenoot. Bijvoorbeeld: heeft hij wel schone tanden?’
 
Toch zijn er ook verhalen van ouderen die wel weer volledig van de liefde kunnen en durven genieten. Zo tref ik in buurthuis De Wieken, voorafgaand aan het seniorendansen, twee stellen die pas onlangs bij elkaar kwamen. Ik moet ze bij hun voornamen noemen, want anders voelen ze zich zo oud. Zowel Karel (78) en Toos (72) als Corrie (75) en Herman (81) zijn nu ruim vijf jaar bij elkaar. Toch ging ook dat niet zonder slag of stoot. In het ene geval lagen de volwassen kinderen dwars, in het andere geval hield een van de tortelduifjes zelf een slag om de arm. Karel: ‘Ik had haar leren kennen bij het koersbal. Wát een vrouw, dacht ik, en ik was meteen helemaal bevangen. Maar ja, daar hoor je op mijn leeftijd niks meer mee te doen, hè?’ Bloed kroop echter waar het niet gaan kon en na een wekenlange kwelling bij het koersballen besloot Karel al zijn moed bijeen te rapen. Op een goede dag stond hij daarom bij haar op de stoep, in zijn beste pak. Tegen de bloemist had hij gezegd: ‘Kijk maar niet op een euro.’ Toos opende de deur en Karel zei wat hij goed had ingestudeerd: ‘Mevrouw, ik zou graag vriendschap met u hebben.’
Dat ging haar toch wat rap. Ze had als ondanks de eenzaamheid haar leven net op orde en zat er niet op te wachten om haar herontdekte vrijheden zo gauw weer op te geven. ‘Vrouwen kunnen zich toch beter in hun eentje amuseren dan mannen,’ meent Toos. Wat deed haar dan toch van gedachte veranderen? ‘Je mist die arm om je heen. Wat iedereen ook zegt, stuk voor stuk willen ze gewoon iemand die er voor je is. Iemand voor wie je ’s ochtends op wilt staan, iemand om ’s avonds mee te mopperen over de stomme programma’s op tv. Maar vooral die arm.’

En hoe zit het dan met seks? ‘De drang neemt af,’ zegt Karel, tegenwoordig doen ze het nog hooguit één keer per tien dagen. ‘Maar weet je wat zo mooi is?’ vraagt Toos, ‘De seks wordt met de jaren écht beter! Je hebt niet meer zoveel haast, je kan echt de tijd nemen voor elkaar.’ Karel lacht: ‘We doen nu al dat voorspel waar we vroeger geen tijd voor hadden!’ Corrie vult aan: ‘Wat in de loop der jaren wel verandert, is dat we het niet meer zo vaak ’s avonds doen, want daar hebben we gewoon de energie niet meer voor. Maar ’s ochtends wel. We hoeven toch niet naar ons werk!’ Natuurlijk dwingen lichamelijke en medische beperkingen ook tot een andere beleving, zegt Herman. ‘Ik was halverwege de zeventig toen ik Corrie tegenkwam, maar ik heb nog veel van haar kunnen leren. Seks was vroeger gewoon rechttoe rechtaan: wanneer je in bed lag, kroop je bovenop haar en deed je wat er moest gebeuren. Verder niks. Geen voorspel, geen naspel. Niemand had je verteld dat het anders kon en uit je zelf probeerde je het niet. Maar tegenwoordig moet ik van de dokter bloedverdunners slikken. En het is heel simpel: als het bloed verdund is, dan werkt de boel daar beneden niet meer. Ik dacht dus dat het allemaal voorbij was en daar had ik mij bij neergelegd. Maar mijn vrouw is een stuk jonger dan ik – ze is vijfenzeventig – en die nam daar geen genoegen mee. Zij heeft mij toen geleerd dat je ook een heleboel met je handen kan en daar hebben we nu een hoop plezier van. Ja, ik kan gerust zeggen dat ik haar daar heel dankbaar voor ben. Maar ik had het nog veel liever járen eerder geweten.’
 
Het is een verhaal dat ik telkens weer hoor. Door de steeds explicietere samenleving worden veel ouderen steeds weer met hun neus op de feiten gedrukt dat hen een hoop is onthouden, door gebrek aan voorlichting en openheid onderling. Nog altijd spreekt men als ouderen onder elkaar zelden over intieme zaken, merk ik, en zorgverleners zijn vaak ook erg terughoudend of ronduit ontkennend in hun informatievoorziening.
Gelukkig laten enkele ouderen het er niet bij zitten en trekken ze zelf aan de bel. In sommige gevallen biedt een zoon of dochter soelaas bij prangende kwesties. Zoals bij mevrouw Vreedzaam: ‘Tegenwoordig zie en hoor je van alles op televisie, waar je soms de ballen van snapt. Laatst heb ik de stoute schoenen aangetrokken en vroeg ik aan mijn oudste dochter: “Ik hoor er de laatste tijd zo veel over, maar wat is dat nu feitelijk: tongzoenen?” Ze keek me aan alsof ik achterlijk was, maar ik had dat dus nog nooit gedaan. Niet met mijn man, niet met vriendjes daarvoor. Nooit. En nu is het te laat.’
 
Te laat? Nee, zo denkt mevrouw Van Hove er niet over. Ze is nu zesennegentig en sinds drie jaar weduwe: ‘Het was een prima huwelijk,’ vertelt zij, ‘Maar niet de liefde van mijn leven...’ En na een korte stilte: ‘Die hoop ik alsnog te vinden!’
 
Op verzoek van de geïnterviewden zijn sommige namen gefingeerd.

Terug naar Artikelen
"De seks wordt echt beter. Je hebt niet meer zo'n haast.""Meisjes dachten dat zij al zwanger werden als je hun borsten aanraakte.""Ik benijd de jeugd om de vrijheid die ze hebben. Maar ik maak me zorgen om de vrijheid die ze nemen.""Ik vroeg mijn dochter: wat is dat nou eigenlijk, tongzoenen?"
p. 475