Inhoud

Inhoud


Ballet in het bejaardenhuis


Een reportage voor Theatermaker, 2017.


Het is nog ruim een uur voor aanvang, maar in ouderenzorgcentrum Wilgenhof druppelen de eerste bezoekers al binnen. Keurig gekapte dames met aan hun arm heren in pak schuifelen langs de kaartcontrole. ‘Kijk nou,’ knipoogt eentje, ‘Een heus ontvangstcomité!’ 
‘Kan ik mijn rollator hier neer zetten?’ vraagt een ander. Een medewerker van het Parktheater wacht geduldig tot de toegangsbewijzen zijn opgediept uit de oneindige damestassen. ‘Wilt u een programmaboekje?’ informeert hij beleefd. ‘Ligt eraan wat dat kost,’ luidt de repliek. Zodra blijkt dat het gratis is, neemt mevrouw er graag twee mee. ‘Ook eentje voor de buurvrouw, die is helaas ziek.’
 
Het Nationale Ballet warmt zich ondertussen op, in het theater honderd meter verderop. Daar zullen vanavond de zes korte stukken van Junior Company gedanst worden voor een fysiek aanwezig publiek, hier in de aula van de zorginstelling hangt een joekel van een scherm waarop beelden van de voorstelling live zullen worden geprojecteerd. Het is inmiddels de derde keer dat het Eindhovense Parktheater voor dit project de handen ineenslaat met Vitalis Zorggroep en Studio 040. Na het succes van een pilot, waarbij driehonderdvijftig bewoners van ouderencentra meekeken met een uitvoering van Carmen door Opera Zuid, staan dit seizoen al drie voorstellingen op het programma. Opnieuw een opera, een cabaretvoorstelling en vanavond ballet. En zo kan het contrast haast niet groter: de tieners en twintigers die zo dadelijk licht als een veertje over de planken zweven in het theater aan de ene kant van de straat, terwijl aan de andere kant van de straat de dames en heren van rond de tachtig voetje voor voetje de aula van hun zorginstelling binnenschuifelen. Hemelsbreed meet de afstand tussen Wilgenhof en het Parktheater amper honderd meter, toch is het voor de bewoners een onneembare horde.
 ‘Het zijn de trapjes,’ verzucht mevrouw Aarts (84 jaar). ‘Op en af, de hele tijd. Kom je net de lift uit, moet je in de zaal weer steil omhoog voor de juiste rij.’ Steeds iemand om hulp moeten vragen staat haar tegen, dan blijft ze liever thuis. ‘Jammer, want ik beleefde er altijd veel plezier aan. Ik was echt een theaterdier. Maar het werd me te moeizaam de laatste tijd.’ Een eindje verderop zit de 82-jarige mevrouw Kersemakers met haar man. Jarenlang hadden ze een abonnement en soms gingen ze zelfs maandelijks naar de schouwburg, vertelt ze, waarna ze gelaten op zijn rolstoel wijst. ‘Hij kreeg een herseninfarct. Sindsdien krijgt hij het allemaal niet meer mee, dus het heeft geen zin meer. En hem alleen laten, dat durf ik niet.’
Het waren deze observaties die ook Marleen van Amerongen deed, hoofd publieksbereik bij het Parktheater, toen zij voor een promotieronde langs de Eindhovense zorginstellingen trok. ‘Ik was daar in de hoop bewoners te overtuigen om eens met ons theater kennis te maken, maar in die aula’s zag ik juist bekende gezichten, trouwe bezoekers die van de ene op de andere dag niet meer kwamen. Stuk voor stuk gaven ze aan dat ze nog zo ontzettend graag zouden willen, maar dat hun partner was weggevallen, dat ze slecht ter been waren geraakt, of dat ze ’s nachts niet meer naar buiten durfden. Zo ontzettend triest.’
Al snel ontstond de kiem van een plan: zou de berg niet naar Mozes komen, dan moest Mozes maar naar de berg. Gebruikmakend van het glasvezelnetwerk in Eindhoven moest het mogelijk zijn om zonder kwaliteitsverlies live vanuit het Parktheater uit te zenden naar om het even welke locatie in de stad. ‘Aanvankelijk zag men veel beren op de weg. Zou het niet ten koste gaan van de kaartverkoop? Kon het personeel van de zorginstellingen ’s avonds wel zo lang blijven? Zou er fatsoenlijk beeld en geluid zijn? Zou het niet te laat zijn voor die ouderen? Wilden de gezelschappen wel meewerken? Maar toen besloten we: de enige manier om te bewijzen dat het kon, was het gewoon te gaan doen. En zouden we tegen muren aanlopen, dan braken we die onderweg wel af.’
‘Uiteindelijk bleek alles honderd procent mee te vallen. Dat het niet te laat was bewees Carmen meteen al. Dat duurde tot half twaalf en tot het einde toe heeft iedereen ademloos zitten kijken. In beeld en geluid bij de zorginstellingen wordt gaandeweg geïnvesteerd, dat gaat al steeds beter. Het grootste punt is nu dat het business-model nog niet klopt. Veel mensen zeggen dan: ‘“Zet toch een dvd op, dat is veel goedkoper!” Maar dan vergeten ze het belangrijkste: net als in het echte theater gaat het om de sensatie dat het op dat moment gebeurt, eenmalig en uniek. Mensen moeten het gevoel hebben er echt bij te zijn. Vandaar de rode loper, vandaar de kaartcontrole, vandaar ons personeel op die locatie, in herkenbare Parktheaterkleding. Wij willen dat die ouderen weer participeren in onze samenleving, dat ze voelen dat ze niet vergeten worden en dat ze samen iets bijzonders beleven. We hopen dat ze elkaar daar zien zitten en begrijpen dat er meer mensen zijn die van theater houden. Dan hebben ze voortaan iets anders om over te praten dan de soep die niet lekker is.’
 
De lichten in de aula doven, de gesprekken verstommen, op het scherm begint de eerste choreografie. Haarscherp beeld, loepzuiver geluid. Eén whatsapp-berichtje van de toneelmeester naar zijn collega’s in het theater is genoeg om de zaalmicrofoons op te krikken: ook het geschuif, gekuch, maar vooral het applaus is nu op normale sterkte te horen. Her en der gaan aarzelend de handen op elkaar wanneer een dans ten einde is, maar veel bijval vindt het nog niet. Dan golft een diepe zucht door de ruimte: eindelijk wordt het langverwachte Zwanenmeer aangekondigd. ‘Mooi, hè?’ fluisteren buurvrouwen tegen elkaar. En tenslotte klinkt bij de laatste buiging ook in het verzorgingshuis een tevreden applaus. Na afloop doorbreekt mevrouw Kersemakers het zwijgen: ‘Muisstil was het,’ grijnst ze. ‘En dat met al die oude dames, dat wil wat zeggen.’ ‘Dat is hier een uitzondering,’ bevestigt mevrouw Grootjans (82), ‘Maar het was ook wel heel mooi. En ofschoon je niet echt aanwezig bent in de zaal, is dit voor het zicht perfect. We zitten stalles, niet waar? Soms voelde ik zelfs de aanvechting te applaudisseren. Dat zou ook niet heel gek staan, is het wel?’
Mevrouw Hohmann (85): ‘Zal ik u wat zeggen? Ik vergat bijna dat ik niet in de zaal zat, zo gebiologeerd zat ik te kijken.’ Ook dhr. Fuchs (79) is te spreken over de avond: ‘Een geweldig initiatief. Van de ene kant besef je heel duidelijk dat je er niet echt bij bent, van de andere kant krijgen wij de close-ups, waardoor we juist nóg dichter er op zitten.’ De 89-jarige mevrouw van Veen is kritischer: ‘De echte sfeer is veel leuker, daar kunnen we kort over zijn. Maar we zijn snel tevreden, dat leer je op onze leeftijd vanzelf.’ Mevrouw Grootjans nuanceert: ‘Verdorie zeg, dit wordt toch maar mooi georganiseerd,’ zegt ze. ‘Ik wil liever niet te elitair klinken, maar met kunst doen ze me toch echt een groter plezier dan met kienen.’ Meneer Henssen (89) deelt die mening: ‘Het is toch weer wat anders, met die hele entourage is het alsnog een avondje uit. Gelukkig kunnen wij nog redelijk uit de voeten, maar onze wereld wordt wel kleiner. Op deze manier kunnen we toch nog profiteren van de moderne tijd.’
 
‘Er wordt veel gedacht in nostalgie,’ verklaart Liesbeth Bijlmakers, Coördinator Kunst & Cultuur bij Vitalis, waarom deze samenwerking tussen theater en zorginstelling vooralsnog een uitzondering is. ‘In ouderencentra worden vaak programma’s aangeboden met muziek van vroeger, films van vroeger, verhalen van vroeger. Maar hoe oud iemand ook is, hij of zij heeft altijd toekomst. Mensen leven nu, in deze tijd. Daarom willen zij nadenken over nu, over deze tijd en waar het naar toe gaat en dus willen zij ook kunst uit deze tijd. Voor ons is het een uitdaging om dat aan te bieden aan onze bewoners.’ ‘Kijk je naar de demografische ontwikkeling, dan zou het vreemd zijn om het niet te doen. Op dit moment is er sprake van een scharniergeneratie en wij als zorginstellingen moeten ons voorbereiden op een nieuwe groep zestigplussers met andere overtuigingen en andere standaarden. Precies daarom is des te belangrijker vooruit te lopen en contact houden met de organisaties van vandaag: de bibliotheek, het museum, de universiteit en nu dus ook het theater. Maar we mogen ons er als maatschappij echt wat meer van bewust zijn dat het voor veel mensen geen onwil is, maar een oprechte onmogelijkheid om het huis te verlaten. Wij zorgen daarom op deze manier dat men tóch kan meedoen met de maatschappij. Want dat is waar het om draait: het gaat om participeren. Weliswaar op afstand, maar zij maken toch deel uit van dat waar anderen ook van genieten. Samen met het Parktheater zorgen wij dat alle dingen hier zijn die zij normaliter in de schouwburg zouden hebben. We proberen het cachet te geven: een hapje, een drankje. En als anderen laten zien dat zij nog mogen meedoen, dan gaan ze zelf ook weer meedoen. Dan gaan ze zich speciaal opdoffen, ze soigneren, ze kleden zich hiervoor aan. Mentaal gezien geeft dat een enorme oppepper. Bij een van de vorige vertoningen troffen wij ’s middags twee dames aan bij de kapsalon. Dat vonden ze vanzelfsprekend, zeiden ze, “Want wij gaan vanavond naar de opera.”’
 
 
 
 
 
 

Terug naar Artikelen
"Hoe oud iemand ook is, hij of zij heeft altijd toekomst.""Op deze manier kunnen we toch nog genieten van de moderne tijd.""De enige manier om te bewijzen dat het kon, was het gewoon te gaan doen.""Met kunst doen ze me toch echt een groter plezier dan met kienen."
p. 606