Inhoud

Inhoud


Begrafenis


Een column voor ELLE, 2009.



Het is zover: we hebben de eerste begraven. Precies zoals dat hoort, op een koude, zoals men dat noemt troosteloze zaterdagmiddag in een onbekend klein dorp. Knotwilgen stonden langs de weg en wij droegen nette kleren. Onze passen over het grind klonken onwennig en aarzelend bliezen we onze condenswolkjes de kerk in. Het was er stampvol en de verbaasde voorganger miste het logistieke inzicht om alle vrienden op de houten banken te laten passen. Wie jong sterft heeft tenminste wat volk op zijn uitvaart, maar daarmee zijn de meeste voordelen toch wel opgesomd.
Het was niet helemaal duidelijk waarom uitgerekend hij het spits moest afbijten, een kerel van onze leeftijd, die qua gezondheid geen overdreven aanleiding gaf tot zorg. Hij dronk niet meer dan wij, hield niet van gevaarlijke sporten, hij werkte hooguit wat harder. Onbegrijpelijk was dus het simpele telefoontje dat ons op de hoogte bracht dat alles vanaf nu anders was: een vriend is dood. In de verte galmde zijn herkenbare schaterlach - kinderlijk gekraai bijna. Het had een grap kunnen zijn, maar werkelijker dan die mededeling zou het niet snel worden.  Op één en hetzelfde moment waren we stokoud en stervensjong. De verlammende gedachte: de eerste is dood, het hek van de dam. En: de volgende is straks de volgende.
We keken het van elkaar af. Begreep iemand dat we moesten staan zodra de kist werd binnengedragen, dan gingen we allemaal staan. Ging iemand zitten, dan gingen we allemaal zitten. Rituelen die nog niet in ons systeem zaten werden schoorvoetend ten uitvoer gebracht. Hier en daar neuriede iemand flarden van een lied, mompelde de ander vroom een gebed. Alles volgens de regels, met respect voor ouders en locatie, totdat uitgerekend de vader ons opriep om te breken met de allerstilste gewoonte: dat we ons in een kerk bevonden, deed niet ter zake, deze jongen – theatermaker in hart en nieren – verdiende een staande ovatie. Die kreeg hij. Minutenlang.
Tot slot was er koffie, waren er koekjes. Herinneringen werden opgehaald, herinneringen aan amper een week geleden. Iemand maakte per ongeluk een grap, er werd overdreven hard gelachen. Dit was een bizarre reünie en we waren het allemaal eens dat wij elkaar écht vaker zouden moeten zien. We hadden vandaag de eerste begraven en voor we het goed en wel in de gaten hadden, zou de volgende zomaar eens aan de beurt kunnen zijn. Nee, lachten we, daar moesten we helemaal niet mee bezig zijn. Maar elkaar vaker zien kon hoe dan ook geen kwaad. Nee, dat kon geen kwaad. Je wist per slot van rekening maar nooit.
Een vriendin barstte alsnog in tranen uit. Het komt wel goed, zei iemand met de beste bedoelingen. Er waren veel beste bedoelingen die middag, maar iedereen wist: goed komen ging dit niet.
Al half in de auto huiswaarts gekropen, vertelde een vriendin dat zij nog foto’s had, wellicht wilden we die een keer zien? Een ander liet weten nog oude schetsen van hem te hebben, misschien moesten die nu maar eens worden ingelijst? Ik ging voor mezelf na wat ik nog van hem had, maar hoe ik ook in mijn gedachten groef, niets kon ik verzinnen. Het enige wat ik kon koesteren was een vier weken oud sms-je, als voorbeeld van de karige herinneringen waarmee de moderniteit ons opzadelt. Er stond in dat we elkaar snel maar weer eens moesten zien.
 

Terug naar Columns&Verhalen
p. 675