Inhoud

Inhoud


Naakt zwemmen


Als ik één ding heb geleerd van mijn korte reisje naar Zweden, dan is het wel dat je niet alles moet geloven wat in de bladen staat. Ik dacht: Scandinavië, dat wordt een potje warme truien dragen en elanden spotten. Nou, mooi niet dus. Zweden blijkt in de zomer verdorie pokkewarm, in geen velden of wegen valt er een eland te bespeuren en wie werkelijk denkt dat die jongens en meisjes daar echt zo bloedstollend knap en goed gekleed zijn als de meest controversiële IKEA-gids ons willen doen geloven, die komt behoorlijk bedrogen uit. Sterker nog, het kost daar bar weinig moeite te begrijpen waar die lui hun geloof in trollen, orken en aardmannetjes op baseren. Heus, banjer een paar minuten door de winkelstraten van Karlstad – het plaatselijke Roermond – en je waant je bijkans in het Land van Laaf.
Natuurlijk wordt zo’n regel altijd bevestigd door een uitzondering: Kicki heette ze en al bij de kennismaking spraken we af dat zij bij ons huwelijk onder geen beding mijn achternaam mocht aannemen, maar de hare vol streepjes door de o’s tot in het einde der tijden met trots moest blijven dragen. Het ijs brak daardoor zo hard dat wij na de laatste dans op het Ransäter folkfestival met z’n tweeën overbleven.
Nu denkt u natuurlijk: aha, het wordt weer zo’n verhaal! Maar maakt u zich geen zorgen. Met mijn hand op mijn hart verklaar ik u dat de komende driehonderdnegenenvijftig woorden lang de liefde niet zal worden geconsumeerd. Er wordt zelfs niet gezoend, kunt u nagaan. Dat moet dus haast wel echte liefde wezen, dacht ik zo.
Enfin, we liepen dus midden in de nacht op ons dooie akkertje over allerlei slingerpaadjes toen Kicki me plots meesleurde naar een van de meren die Varmland rijk is. In het midden een klein eilandje met amper plek voor één struik. ‘Onbewoond,’ verzekerde ze me. ‘Zwemmen we erheen?’
‘Nou...’ mompelde ik zachtjes, want ik zag de bui al hangen. ‘Misschien dat we...’ zei ik, terwijl ik stug de andere kant op wandelde. ‘Misschien is het beter om...’ Achter me klonk een plons. Ik draaide me om en zag haar hoofd net boven het water uitsteken en hoorde haar luidkeels beweren dat het héérlijk was. Aan de oever lag een hoopje kleren, en in verwarring dacht ik: natuurlijk, zo doen die vrijzinnige Scandinaviërs dat. Hoppa, in hun blote kont het water in. Maar ik ben een preutse Hollander. Een heel preutse Hollander.
Nou zult u zeggen: middernacht, dan is het toch stikdonker? Niet in Zweden! Daar mag je al blij zijn als het na een uur of twee eens een keer begint te schemeren. Dat godganse meer was dus helverlicht (een woord dat mij plotseling buitengewoon Zwederigs voorkwam) en dat zou weldra ook gelden voor mijn naakte pielemoos. Ik zag daar dus enigszins tegenop.
Maar terwijl Kicki de borstcrawl inzette richting het eilandje, besefte ik dat ik geen keus had. Gauw smeet ik mijn kleren op een hoopje en dook poedelnaakt het water in. Tot mijn stomme verbazing was het water inderdaad héérlijk en tot mijn nog stommere verbazing haalde ik haar zelfs met mijn oenige schoolslag makkelijk in. Toen kwam het moment van waarheid: het eilandje, waar we beiden het water uit moesten. Zij ging eerst. In de strelende zonnestralen hees zij zich aan de oever en zag ik na haar schouders haar doorweekte ondergoed. En toen moest ik.
‘Tja,’ zei ze toen we naast elkaar op het gras lagen, ‘Jullie Hollanders zijn zo vrij. Ik niet. Nou ja, niet altijd.’ En toen zoende ze me.
Ziet u wel, u moet niet alles geloven wat in de bladen staat.
 

Terug naar Columns&Verhalen
p. 245