Inhoud

Inhoud


Uitsterven voor beginners


Nu zelfs gezondheidsminister Hugo de Jonge met een wc-rol onder de arm over Franse campings struint, ongetwijfeld met aan zijn voeten de meest hysterische teenslippers ooit, was ook voor mij de tijd rijp voor vakantie. En dus reisde ik braaf bemondkapt in een zalig lege trein naar – jawel – Limburg, met als hoofddoel van deze extravagante toeristische trip: het Natuurhistorisch Museum te Maastricht.
 
En nu heb ik geen idee of het vóór coronatijden wél met de benen buiten hing in dat museum tjokvol fossiele zee-reptielen en uitgestorven geleedpotigen, maar ik kan u zeggen: het was niet druk. Mij beviel dat wel, die rust en ruimte om mij heen. Bovendien had het iets relativerends: moederziel alleen naar opgebaarde dino’s staren gaf een voorproefje van hoe ooit in een toekomstig museum een toekomstige levensvorm zal koekeloeren naar resten van de dan uitgestorven mensheid. Want ja, ook mijn botjes zullen ooit de grond uitgepeuterd worden, en ik verheug mij nú al op hoe mijn ontbrekende lichaamsdelen zullen worden aangevuld met onderdelen van soortgenoten en mijn gereconstrueerde skeletje straks mag pronken met de onderkaak van Harrie Jekkers en één van de heupbenen van Frank Evenblij.
 
De dino’s in dat museum lieten mij ook weer beseffen dat de enige mogelijke redding zit in je vermogen je aan te passen aan veranderde omstandigheden. Survival of the fittest, zo simpel is het. En natuurlijk - zolang de gezondheidsminister geduldig zijn flitsende slippers onderschijt op een Frans hurktoilet – zou het kunnen dat de thuisgebleven treuzelpolitici zó ongelooflijk veel tijd nemen voor de heropende discussie over een eventuele mondkapjesplicht, dat de mensheid dankzij natuurlijke selectie vanzelf wel evolueert van de huidige Homo Sapiens tot een menssoort mét ingebouwde luchtzuivering, ook wel bekend als de Homo Hepa Filter. Maar tot die tijd moeten wij zelf aan de bak.
 
Mondkapjes dus, hoe vervelend ook. Want je kunt wel koppig roepen dat je zo’n ding nooitnooitnooit zult dragen, maar dan ga je toch echt de geschiedenisboeken in als de oelewapper die op het dek van een zinkende Titanic zit te miepen dat zo’n zwemvestje heu-le-maal niet lekker zit. Het staat ook nog eens niet sexy en hoezo moet ik in een reddingsboot, dat is beperking van mijn bewegingsvrijheid en is eigenlijk wel wetenschappelijk bewezen dat een noodsignaal hélpt, moet daar niet eerst een debat over, en wat vinden Maurice de Hond en Doutzen Kroes er eigenlijk van, want is er wel écht een ijsberg, ik zie alleen een piepklein topje en op Facebook heb gestaan dat er sowieso elk jaar keiveel mensen verdrinken in de zee, dus het is vast een hoax, hup violisten, speel nog een moppie, want ik ben heus niet bang voor nóg een golf.
 
Wat de dino’s in dat museum me ook leerden was dat je soms gewoon te laat bent. Dat je te lang hebt voortgesukkeld, te weinig luisterde naar alle waarschuwingen. De toekomstige levensvormen in het toekomstige museum zullen lezen over de uitgestorven mens die wist dat er een einde moest komen aan de eindeloze groei, aan overvolle winkelstraten, overvolle wegen, overvolle luchten vol overvolle vliegtuigen, dat we te dicht op elkaar zaten en dat het radicaal anders moest. Ze zullen elkaar aankijken en zeggen: laten we hopen dat wíj er wél van leren.
 
Tenslotte lezen ze over een columnist die anno 2020 zijn bijdrage aan Spijkers afsloot met een citaat van hoofdgast Harrie Jekkers. Want in dat heerlijk rustige museum in Maastricht, waar het stil was, waar de bezoekers afstand hielden en iedereen elkaar de ruimte liet, daar kwam de gedachte op dat het misschien niet alleen een tandje minder mocht met de intensieve veehouderij, maar ook met de intensieve ménshouderij.
 
Ja, dacht de columnist, terwijl in zijn hoofd Klein Orkest begon te spelen:
Ook al valt het soms niet mee... laat mij maar alleen.



 
 
 
 

Terug naar Columns&Verhalen
p. 331